|
Met de ene voet in de sneeuw en met de andere in het zand. Een lezing van Henning Mankell over zijn bestaan tussen Zweden en Mozambique “Zoals het in Zweden (en in afrika) gebruikelijk is wil ik graag met een verhaal beginnen. Wij denken gewoonlijk, en terecht, dat er vier manieren zijn om met met andere mensen of met onzelf te communiceren, namelijk: spreken, luisteren, schrijven en lezen. Maar er zijn bepaalde situaties waarin dat niet op gaat. Waarin het gesproken of geschreven woord niet doorslaggevend is maar andere manieren van communicatie belangrijker zijn. Ik zou u willen uitnodigen met mij op reis te gaan. De goedkoopste en snelste reizen maak je in je fantasie. Je hebt geen paspoort nodig, en ook geen ticket of geld. We gaan dus op reis, en vooraleerst naar het noorden. We komen aan bij een onbeduidend klein dorp dat Sveg heet. Daar ben ik opgegroeid. Toen, in de vijftiger jaren, lag Sveg volkamen afgelegen en ver van alles. Wanneer er per ongeluk eens een auto uit Stokholm opdook dan was dat een hele belevenis. Daar, aan de noordoever van de Ljusnan rivier ben ik groot geworden. En ik weet nu nog heel precies dat ik, toen ik zeven was, in deze rivier krokodillen gezien heb. Voor anderen waren het misschien boomstammen op hun lange reis naar zee, maar voor mij waren en bleven het krokodillen. Dat zei ik natuurlijk tegen niemand. Het was mijn geheim. De Ljusnan was de Kongorivier die door mijn kindertijd stroomde. Ik las, zoals alle kinderen, de verhalen van de grote ontdekkingsreizigers: Mungo Park, Stanley, Livingstone, Burton, Darwin. Ik geloof dat ik al heel vroeg heb begrepen wat een buitengewoon zinnelijke beleving het reizen, het vertrekken is. Ik ervaar het ook nu nog als een haast erotisch genot om mijn koffer te pakken en eropuit tegaan.
Mijn reis naar Afrika is eigenlijk bij die krokodillen begonnen. Ik wil hierover nog even iets kwijt: Ik geloof dat kinderen de echte kunstenaars zijn. In de kindertijd zijn fantasie en werkelijkheid even echt. Dit evenwicht verschuift, eerst wanner we naar school gaan en dan steeds verder naarmate we ouder worden. Wanneer je als kunstenaar werkzaam wil zijn moet je de rest van je leven je best doen om iets terug te veroveren van dat evenwicht tussen fantasie en werkelijkheid dat je als kind van nature bezat. Uiteindelijk duurde het nog twintig jaar voordat ik voor het eerst in Afrika kwam. Als de dag van gisteren weet iknog hoe ik op die ochtend, begin zeventiger jaren, allejezusvroeg in een Westafrikaansland uit het vliegtuig stapte. Ik werd onmiddellijk overvallen door de geuren die Afrika zo eigen zijn. Verlokkende, beangstigende, bittere, zoete, verleidelijke, magische, dromerige geuren. Ik voelde me meteen thuis. Heel onverklaarbaar, want in mijn familie waren er geen missionarissen of ander geestelijken. Maar ik geloof dat mij op dat ogenblik iets duidelijk werd dat ik tot dan toe niet begrepen had en dat tot de grote geheimen van het leven hoort. Je kan namelijk werkelijk ergens thuis komen waar je voordien nog nooit geweest bent. Voor mij was dit de vervulling van dat kinderlijk verlangen naar ‘ergens ver weg’, naar het “op pad gaan”, naar het “Land aan het eind van de wereld”. Sindsdien is mijn verhouding tot Afrika natuurlijk veranderd, heeft zich verdiept en is een wezenlijk deel van mijn identiteit als schrijver geworden.
Nu sta ik er zogezegd nogal wijdbeens bij : met de ene voet in de sneeuw en met de andere in het zand. Als je enige invloed wil uitoefenen op de wereld dan is, vind ik tenminste, een bepaalde dubbele zienswijze noodzakelijk. Het is alsof ik zowel een uitkijktoren in Europa heb als één in Afrika. Ik verbeeld me heus niet dat ik zo langzamerhand een Afrikaan aan het worden ben. Maar Afrika maakt me wel tot een betere Europeaan en dat is iets heel anders. Maar laten we verder gaan met onze reis.
Onze volgende stop is een klein kerkhof in zuid Zweden. Wie daar rondloopt vindt ergens in een hoek van het kerkhof een eenvoudig kruis op een graf. Op een koperen bordje staat een verbazingwekkende inscriptie: “ Hier rust Josef, in 1868 geboren in de Kalahariwoestijn, gestorven in Lunnarp, Zweden in 1880” Je blijft verwonderd staan. Wat is dat nou voor een geschiedenis die hier begraven ligt? Wie was deze Josef? Hoe komt het dat een bosjesmanjongen op een landelijk gelegen kerkhof in Zweden begraven is? Ik heb wat onderzoek verricht en de kontouren van een zowel tragische als droevige geschiedenis zijn tevoorschijn gekomen. Maar op één of andere manier past het verhaal in onze tijd. Ik zal het kort vertellen.
Rond 1855 begaf een zweedse entomoloog zich naar dat deel van Afrika dat tegenwoordig Botswana en Namibië omvat. Hij had kwaad noch goeds in de zin. Hij had geen koloniale ambities maar was gewoon op pad om pas ontdekte insekten te onderzoeken en om eventueel zelf nieuwe te ontdekken. Op zijn reis ontmoette hij een zweedse grootwildjager die Andersson heette en die zich in hetzelfde gebied ophield. Bij het verblijf van die Andersson trof de entomoloog een kleine, magere jongen, vol luizen, die in een soort kartonnen doos woonde. Andersson vertelde hem dat hij die jongen tegen een geweer geruild had. De jongen was een wees en niemand trok zich iets van hem aan. De entomoloog had een goed hart en besloot de jongen te adopteren en hem mee te nemen naar Zweden. In zijn dagboekaantekeningen, die ik heb gevonden, vertelt hij roerend hoe hij, tijdens de lange zeereis vanaf Kaapstad , uit oude matrozenpakken kleren voor Josef naaide. In 1875 kwamen ze in Zweden aan. Krantenknipsels uit die tijd getuigen van voordrachten die de entomoloog hier en daar in Zweden hield. Over die voordrachten stond er verder niet zoveel in, maar des te meer over de kleine ‘Hottentot” die met hem door het land trok. Een paar jaar later keerde de entomoloog weer naar Afrika terug. Maar Josef moest in Zweden blijven. Hij kwam bij een familie in Lunnarp, een dorp in het zuidoosten van Zweden. Daar zou hij naar school gaan, bij een dominee godsdienstles krijgen en op klompen leren lopen. Slechts een paar jaar later stier Josef op 12 jarige leeftijd. Op de overlijdensakte staat dat hij aan Tuberkulose was gestorven. Er is geen reden om daaraan te twijfelen maar ik ben ervan overtuigd dat hij ook aan iets heel anders gestorven is, aan iets dat niet zomaar in woorden te vatten is of zich op een overlijdenssakte laat beschrijven;. Verdriet. Hij was waarschijnlijk doodongelukkig. Ik me hem heel goed voorstellen , moederzielalleen op die kleigrond in de mist. Hoe hij daar staat en probeert het getrommel in de verte te horen. Zijn oren vangen niets anders op dan het geruis van de bladeren in de bomen en gekras van de kraaien. Waarschijnlijk vraagt hij zich af waar het warme zand gebleven is. Waarom je zulke loodwzware schoenen aan moet waardoor je al helemaal geen zin hebt om te lopen. Waar de geesten van zijn voorouders gebleven zijn en van zijn ouders en waar zijn hele leven gebleven is.
Hierin zit voor mij de diepere zin van Josefs geschiedenis. Het is alsof hij aan de overkant staat, naar ons zwaait en ons duidelijk maakt dat ‘goeie wil’ niet voldoende is om een ander te helpen of te ondersteunen. Goeie Wil moet samen gaan met Gezond Verstand. Anders krijg je eerder slechte dan goede resultaten. Dit verhaal vertel ik vaak aan beginnende ontwikkelingswerkers. En mijn conclusie is steeds dezelfde: Verstandig handelen betekent dat je met de mensen die je wilt bijstaan moet praten. Je zou zelfs met de mensen moeten praten waarnaar je volgens bepaalde adviseurs niet zou moeten luisteren. Precies dat is het nut van Josefs Geschiedenis. Over hem zal ik ooit nog een boek schrijven.
Tussen Josef en moedwillig kwaaddoen bestaat geen in het oog springend verband. Maar toch wil ik daarover nog iets zeggen. In Zweden waart iets rond dat mij afschrikt en woedend maakt. Het gaat om verdorvenheid. In de krantenkoppen is vaak sprake van “zinloos geweld”. Dan denk je toch meteen “hoe ziet zinvól geweld er dan uit?” Dat wij in een wereld en in een tijd leven waarin steeds vaker geweld gebruikt wordt is duidelijk. Er zijn jongeren die elkaar zonder reden mishandelen en vermoorden. Maar af en toe komen stemmen op die beweren dat het kwade bij sommige mensen aangeboren zou zijn. Dat het in de genen zou zitten. Dat betekent dat verdorvenheid dezelfde herkomst heeft als zomersproeten, of kaalheid. En dat beangstigt mij. Als deze opvatting de overhand krijgt dan horen we binnenkort dat wapens in de buurtsupermarkt verkrijgbaar zouden moeten zijn. Dan kunnen we donkere tijden tegemoet zien. Oorlog tegen iedereen. Mannen die zich, beschermd door de duisternis, voorbereiden om jacht op slechte mensen te maken. Dat betekent ook dat het rationele Humanisme, het rationele mensbeeld dat beweert dat er geen, in genetisch opzicht ‘slechte’mensen bestaan, op zijn retour is. Slechtheid, verdorvenheid is niet met zomersproeten of kaalheid te vergelijken. Het is een zaak van omstandigheden die ertoe leiden dat mensen slechte dingen doen. En deze omstandigheden moeten we aanvechten en veranderen. Ik spreek en schrijf veel over dit thema. We leven in een tijd die veel mensen naar de randen van de maatschappij dringt waar ze een randgroepbestaan moeten leiden. Er bestaan jonge mensen die er echt niet op kunnen rekenen ooit betaald werk te krijgen. Mensen die zich in hun eigen land niet welkom en zelfs overbodig voelen. Dat zijn de omstandigheden. En mensen die zich verstoten voelen reageren daarnaar. Misschien zelfs met geweld. De wortels van het slechte liggen in de omstandigheden. Niet in onze genen.
Het is niet voor het eerst in onze geschiedenis dat dit mensbeeld voet aan de grond krijgt. Maar het is zoals voorheen van het grootste belang tegen de mensen in te gaan die deze mythe verspreiden . Dat brengt me op een serie boeken die ik in de negentiger jaren geschreven heb. In deze boeken speelt een heel onopvallende zweedse misdaadrechercheur de hoofdrol. Hij heet Kurt Wallander en woont in een kleine zuidzweedse stad: Ystad. Toen ik voor het eerst over hem en zijn collega’s begon te schrijven kon ik me niet voorstellen dat er zoveel mensen in hem geinteresseerd zouden raken. Ik had niet durven dromen dat deze boeken in een totale oplage van drie miljoen exemplaren zouden verschijnen en dat ze in vijftien verschillende talen vertaald zouden worden, waaronder duits, nederlands en frans. Ik was in het begin alleen maar van plan een boek te schrijven. In 1989 keerde ik voor een jaar naar Zweden terug. Het werd me al snel duidelijk dat vreemdelingenhaat daar een belangrijk maatschappelijk probleem geworden was. Zo’n beetje alsof er een bom onder Zweden lag en men z’n best deed te doen alsof er niets aan de hand was. Toen heb ik besloten een boek over rascisme te schrijven. Een andere reden was er eigenlijk niet. Toen het eerste boek door de lezers zo positief beoordeeld bleek te worden begreep ik dat ik met deze misdaadrechercheur een instrument in handen had. Ik besloot nog meer verhalen over hem te schrijven.
Het uitgangspunt moest zijn de ontwikkeling van Zweden en misschien wel de hele europese maatschappij onder de loep te nemen. Die ontwikkling moest zich in verschillende misdaden weerspiegelen. Ik wilde proberen de in de zweedse rechtsstaat woekerende ziekten bloot te leggen. Ik wilde laten zien hoe het kraakt in de verrotte fundamenten van deze rechtsstaat. Ik wilde eenvoudig de waarheid tonen. Wanneer de rechtsstaat niet funktioneert dan wordt de democratie bedreigd. Want zonder een geloofwaardige rechtsstaat kan de democratie gewoonweg niet funktioneren. Alles bijelkaar zijn er acht Wallander romans. Ik wilde niet het gevaar lopen van lopende band werk beschuldigd te worden en ik wilde van het schrijven geen routine maken. Dan zou het zoiets worden als een niet literaire bezigheid en daarmee zou ik noch mijn lezers noch mijzelf een plezier doen. En vandaag, nu alles zogenaamd ‘in beweging’ is, vind ik het belangrijk de grote kunst van de inhoud niet te vergeten.
Ik heb er natuurlijk vaak over nagedacht waarom Kurt Wallander zo geliefd is.Ik durf te beweren dat het aan de inhoud van de boeken ligt. Ze gaan over iets dat veel mensen aanspreekt. Maar het heeft er ook mee te maken dat Wallander voortdurend in ontwikkkeling is. Zoals u en ik. Het tegenstrijdige van de mens maakt dat het literair geloofwaardig is. Ik hou persoonlijk helemaal niet van boeken waarin ik na een paar bladzijden alles over een personage weet die dan ook helemaal geen veranderingen meer ondergaat. Kurt Wallander daarentegen is in het zevende boek heel anders dan in het eerste. Dat maakt hem geloofwaardig en daarin lijkt hij op ons.
Het laatste verhaal dat ik u nog vertellen wil komt uit Mozambique, uit het noorden van het land. Zoals u waarschijnlijk wel weet heeft daar gedurende dertig jaar, bijna ononderbroken een oorlog gewoed. Het begon met de onafhnakelijkheidsoorlog tegen de Portugezen in 1964, daarna was er een burgeroorlog. In 1992 werd het eindelijk vrede. Tegen het eind van de tachtiger jaren bevond het land zich in een uiterst moeilijke situatie. Miljoenen mensen waren op de vlucht, één miloen mensen waren gestorven en overal was er honger en ellende.Ik reisde in die tijd naar het noorden. Op een dag was ik te voet op weg naar een dorp. ik kwam een zeer magere man tegen, hoogstwaarschijnlijk had hij honger. Zijn kleren hingen in vodden om zijn lijf. Toen zag ik zijn voeten. Wat ik zag zal ik mijn hele leven niet vergeten: ik heb het bij het schrijven altijd voor ogen. Hij had namelijk schoenen op zijn voeten geschilderd. Met gekleurde aarde. Dat was voor hem de enige manier om zijn waardigheid te bewaren. Dat was voor hem het belangrijkste, zijn waardigheid. Ik geloof dat het in mijn boeken om deze man gaat. Om mensen die zich er niet onder laten krijgen, ook al ziet het er nog zo slecht voor hen uit. En bij het schrijven heb ik altijd de volgende basisgedachte: We kunnen allemaal op een dag in een situatie terechtkomen waarin we schoenen op onze voeten moeten schilderen. En we moeten erop voorbereid zijn dat we dat dan ook kunnen. Er is een afrikaans spreekwoord dat luidt: De mens heeft twee oren, en maar één tong. Opdat we meer luisteren en minder praten. En daarom hou ik nu op.
Uit het zweeds in het duits vertaald door Eva Sternberg Uit het duits vertaald door Chiara Tissen.
|