Actueel


Stad voor dag en nacht Afdrukken E-mail

Almere heeft grootste plannen: het wil bruisen! 14 Maart jl. schreef Leendert van der Valk het volgende artikel in het NRC Handelsblad.

 Image 

Almere moet in twintig jaar tijd 60.000 woningen bijbouwen. Maar niet alleen voor de loodgieter en de buschauffeur. „Meer van hetzelfde is het slechtste wat Almere kan overkomen.”

Hij móet De Realiteit even laten zien. Adri Duivesteijn dirigeert zijn chauffeur naar een verzameling huizen tussen wegen, polders, een bosje en water, een typisch Almeerse omgeving. Tussen alle cataloguswijken van de stad was De Realiteit, opgeleverd in 1985, een wijk waar ontwerpers zelf aan de slag mochten. Het leidde tot een bonte verzameling huizen, het ene lijkt op een boomhuis, het andere op een wachttorentje. Woonwethouder Duivesteijn (PvdA) begint foto’s te nemen alsof hij het voor het eerst ziet. Prachtig vindt hij het. Toch is het volgens hem ook een gemiste kans. „Het staat hier volledig geïsoleerd. Dit had het hart van een grotere wijk kunnen zijn.”

 

 

Almere moet de komende jaren massaal bouwen. De afgelopen jaren is de bevolkingsgroei wat afgevlakt, maar de stad maakt zich op voor een nieuwe sprong. In twintig jaar moeten er maar liefst 60.000 woningen bij komen, zodat de stad 350.000 inwoners krijgt en de vierde stad van Nederland wordt. Er moeten 100.000 arbeidsplaatsen komen, tegen 75.000 nu. Dit alles om de ‘metropolitane’ functie van de noordelijke Randstad te versterken. De vinexlocaties rondom Amsterdam, Amersfoort en Utrecht zijn bijna volgebouwd, maar nog altijd moeten er woningen en bedrijventerreinen bij.

Veel en vlug. En Almere heeft de ruimte. Maar de stad die zich als opvangplek van de Amsterdamse middenklasse ontwikkelde, wil nu ook aan zichzelf denken. Het mag in 2030 niet langer de stad zijn die om acht uur ’s ochtends leegloopt en om zes uur ’s avonds vol. De ‘Schaal– sprong’, zoals het uitbreidingsplan heet, moet van Almere een gedifferentieerde, bruisende stad maken.

Dat is echter makkelijker gepland dan gedaan, zeker nu de kredietcrisis de woningmarkt lamlegt. De voorbeeldwijk mag De Realiteit heten, de realiteit met kleine letters is doorgaans de nieuwbouwwijk met straat na straat dezelfde eengezinswoningen.

„In de noordelijke Randstad is Almere de leverancier van de lagere en middeninkomens”, zegt stadssocioloog Arnold Reijndorp. „De bouwvakkers, de buschauffeurs. Die zijn weliswaar heel belangrijk voor de regio, maar het is daardoor een zeer homogene stad. Wel een stad in omvang, maar niet in diversiteit. Dat is een typisch new-town-probleem.” Reijndorp is bijzonder hoogleraar sociaaleconomische en ruimtelijke ontwikkeling van nieuwe stedelijke gebieden aan de UvA en werkt voor het International New Town Institute (INTI), dat onderzoek doet naar nieuwe, geplande

steden. „De gezinnen uit de oude Amsterdamse wijken waren altijd de doelgroep, maar Almere is ooit gedifferentieerder uitgedacht”, zegt Reijndorp. „De geplande koopwoningen werden niet gebouwd door de economische crisis in de jaren tachtig. De schaalsprong die Almere nu gaat maken, biedt kansen, maar hetzelfde gevaar dreigt. In economisch slechte tijden wordt het hogere segment naar beneden bijgesteld.

Dat zou het slechtste zijn wat Almere kan overkomen, nog meer van hetzelfde. Dan zou de gemeente moeten zeggen: we bouwen niet. Maar ja, als de grond bouwrijp is, wordt er hoe dan ook gebouwd.” Duivesteijn denkt de oplossing te weten voor dit gevaar: radicaal breken met de bouwcultuur van Nederland en Almere. Hij is geen vriend van projectontwikkelaars die de meeste vinexlocaties volbouwen. „Conjunctuurboeren”, noemt hij ze. „In Almere willen ze eigenlijk alleen

maar eengezinswoningen bouwen. Daardoor zijn we in een verstikkende eentonigheid terechtgekomen. Door de enorme druk op de woningmarktzijn burgers gereduceerd tot vrager. ” Hij wil dat de burger zelf gaat bouwen.

Niet de gemeente, maar de bewoners gaan de wjk vormgeven. Het is iets waar hij zich als Tweede Kamerlid ook al voor inzette. Inmiddels loopt er een aantal experimenten in Almere. Voorproefjes van wat straks op grote schaal moet gebeuren. De wethouder loopt door een modderige straat in aanbouw, in de wijk Noorderplassen. Weer fotograferend. Hij richt zijn camera alleen op de rechterkant van de straat, aan de andere kant staat namelijk projectbouw. „Niet heel lelijk hoor, maar voor de kwantiteit gebouwd.” Er tegenover kunnen bewoners kavels kopen die ze, binnen een aantal gemeentelijke regels, zelf mogen bebouwen. Het resultaat is een ratjetoe aan huizen, keurig naast elkaar. „De diversiteit doet denken aan Utrechtse of Amsterdamse grachten. ”

Een ander voorbeeld is het Homeruskwartier dat nu wordt gepland. Althans, de grote lijnen worden gepland, de invulling wordt grotendeels aan toekomstige bewoners overgelaten. Ook die van het winkelcentrum in de wijk. Wie een fietsenwinkel wil beginnen, begint een fietsenwinkel. Wie een markt ziet voor kinderopvang, opent een crèche. Duivesteijn wil eenderde van de nieuwe woningen, binnen een aantal kaders, aan burgers overlaten. „Daardoor zijn mensen veel meer bereid te investeren in hun huis en de wijk. Het is vaak nog goedkoper ook, het doorbreekt het monopolie van ontwikkelaars in Almere.”

Met alleen maar experimentele woningen komt Duivesteijn er niet. Er moet productie gedraaid worden, 3.000 stuks per jaar. Maar wat hem betreft moet het anders. „In deze tijd zijn we ideologisch leeg. Hoe bouw je sociaal-democratisch? Hoe liberaal? Het is allemaal hetzelfde geworden. In de afgelopen twintig jaar hebben we de Gouden Eeuw voor het wonen aan ons voorbij laten gaan, in een periode van hoogconjunctuur. Er zijn voornamelijk goedkope eengezinswoningen gebouwd, die duur worden verkocht. De ideologie voor Almere wordt duurzaamheid.” De stad wil het cradle-to – cradleprincipe, dat gebaseerd is op recycling en zelfvoorziening, toepassen op woningen.

Almere heeft nog meer new-town-problemen, analyseert Reijndorp. In de bevolkingspiramide zit een dip bij 18 tot 25 jaar. Jongeren migreren in de omgekeerde richting van hun ouders. Naar Amsterdam waar niet in elk café dezelfdemuziek wordt gedraaid en waar vooral een aanbod van hoger onderwijs is. „Almere vreest het gevaar dat de slimmerds weggaan en de dommerds blijven.”

Er werd een aarzelende start gemaakt met dependances van de Hogeschool van Amsterdam (HvA) en de Universiteit van Amsterdam (UvA). Daarvan zijn nu nog twee studierichtingen van de HvA over en er is een Pabo. De nieuwe beoogde onderwijsinstelling voor Almere is Hogeschool Windesheim uit Zwolle. Reijndorp: „In de Franse villes nouvelles pakten ze dat beter aan, daar kreeg een nieuwe stad gewoon een universitaire vestiging toegewezen.”

„Almere heeft moeite hoger opgeleiden aan zich te binden”, zegt Reijndorp. „Die zoeken banen die de stad weinig heeft. Een deel komt later trouwens wel weer terug, om dezelfde reden als hun ouders, namelijk een betaalbaar huisjemet een tuin.”Maar ze blijven werken in Amsterdam en sluiten elke dag aan in de file op de A6. Van de Almeerders werkt meer dan de helft van de beroepsbevolking buiten de stad. Vandaar dat er over twintig jaar 100.000 arbeidsplaatsen moeten zijn. De gemeente zoekt nog naar een specifieke branche die zij zich wil toe -eigenen.

Maar is dit te plannen? De economie van oude steden ontwikkelde zich organisch. Nieuwe steden ontberen die dynamiek. Die dynamiek kun je volgens Reijndorp wel stimuleren. Zijn oplossing: verval. „,Steden zijn gebaat bij een prettig verval. Zoals de westelijke tuinsteden in Amsterdam, door leegstand en achteruitgang vestigen zich daar nieuwe bedrijfjes. Somsmoet je even door een fase van belwinkels heen, maar het helpt een straat of wijk vooruit.Het trekt creatieve industrie aan en uiteindelijk veryuppen zulke wijken. Almere zou hier en daar wel eens een bedrijventerrein mogen laten afglijden.”

Het centrum van Almere is een architectonisch paradijs, waar Rem Koolhaas zich heeft mogen uitleven. En alles zit er, alle winkelketens die je kunt bedenken. Maar het is zoeken naar belshops of een Turkse bakker, net als naar galeries of winkels gericht op subculturen. Reijndorp kent verhalen van mensen die naar de Amsterdamse schouwburg gaan, zonder te weten dat het stuk ook in hun eigen stad speelt. Reijndorp is te ongeduldig, zegt Duivesteijn. „Zijn beeld van Almere is gebaseerd op wat het was.

Er komen juist steeds meer marginale bedr ij f j e s. ” Hij dirigeert zijn chauffeur langs bedrijventerrein Randstad. „Dat is aan zijn tweede leven toe.” Hij wijst op een fitnesscentrum, een tandartsenpraktijk. Er komt ook creatieve industrie, zegt hij. Zeker als bedrijven en bewonersmeer hun gang mogen gaan en niet meer alles door de gemeente geregeld wordt. Duivesteijn: „Maar het is waar, het probleem van Almere is dat het lastig is een eigen economie te ontwikkelen. Welke moet dat zijn? De zorg, de media, de leisure? In oude steden ontwikkelt zich dat vanzelf, in een new town volgt het pas achteraf, dat is het zwakke punt. Die honderdduizend arbeidsplaatsen zijn ruimtelijk geen probleem, maar Almere moet dan wel een werkstad worden, dat is het nu niet.”

Almere werkt nu nog met drie varianten van de stadsuitbreiding. De voorkeur gaat uit naar bouwen aan de westkant. Nog dichter tegen Amsterdam aanschurken door Almere Pampus te bouwen. De stad overweegt dan ook om 15.000 woningen buitendijks te bouwen, wat aan de overkant niet erg goed valt. „Pampus is voor Almere een toplocatie”, zegt Duivesteijn, rijdend over de dijk. „Almere gaat zich niet achter de dijk verschansen en wil zich, net als andere plaatsen, verbinden met het water.” Voor de stadsuitbreiding heeft de stad medewerking nodig van Rijk en regio, voornamelijk

op het gebied van de infrastructuur. Want tot zijn verbazing moet Duivesteijn soms nog steeds uitleggen dat „je wel 350.000 mensen in een polder kunt huisvesten, maar dat die mensen de polder ook in en uit willen”. Hij wil dus wegen. En spoorwegen. Almere heeft als laatste plek waar flink gebouwd kan worden een goede onderhandelingspositie met het Rijk. Het gebruikte die positie al eerder, zegt Duivesteijn.

„Zes jaar geleden hebben we de huizenproductie naar beneden bijgesteld, omdat de A6 en A9 in eerste instantie niet werden verbreed. Hetzelfde geldt nu: je kunt Almere niet vragen te groeien, zonder te investeren in bereikbaarheid.” Almere wil garanties. Misschien wel een tunnel onder het IJmeer en vliegveld Lelystad als alternatief voor Schiphol, maar in elk geval een eigen economie en ontsluiting van de polder met nieuwe wegen en spoorwegen. Bouwen voor de rest van de Randstad, allemaal prima, maar deze keer wil Almere er ook iets voor terug.